Trillinghinder langs het spoor: toch aansprakelijkheid

In Nederland is wetgeving op het gebied van trillingen beperkt. Toch spreekt men van meer hinder door trillingen. Vanzelfsprekend komen de meeste klachten van de gebieden langs het spoor. Op 11 april 2022 is een tussenvonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2020:7212) gepubliceerd: een vergoeding van materiële en immateriële schade in de woning door trillingen van treinverkeer.

Situatie bij de woning
De woning, die sinds 1970 door de eiser wordt bewoond, ligt op een afstand van 15 à 16 meter van de spoorlijn Vlissingen-Roosendaal. De spoorlijn wordt gebruikt voor treinen met personen- en goederenvervoer. Op de zolder van de woning is er sprake van horizontale scheurvorming. De woning is in 2016 onderzocht. In een uitgebreid rapport is aangegeven dat de externe factor omgevingstrillingen (passerende treinen), tot de geconstateerde schade heeft geleid. In de omgeving waren er andere factoren die tot vergelijkbare schade kunnen hebben geleid.

Sinds ongeveer het jaar 2000 is er sprake van een gestage toename van het goederentreinverkeer en van langere en zwaardere treinen. Hierdoor kreeg de hinder die het treinverkeer veroorzaakt in de periode 2000-2003 een onrechtmatig karakter. Sinds 2008 is ook de snelheid van de goederentreinen toegenomen. Hierdoor zijn trillingen duidelijk waarneembaar. De ruiten bewegen zichtbaar, het servies rinkelt, de woning schudt en de nachtrust wordt verstoord. ProRail is door de bewoner aansprakelijk gesteld.

Als gevolg daarvan heeft ProRail opdracht gegeven voor een opname van de woning voor trillings- en schadeonderzoeken die in 2018 zijn uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat het piekniveau van de trillingsbelasting op de woning bij een frequentie tussen de 5 Hz en 15 Hz 3,29 mm/s op de begane grond en 2,47 mm/s op de etage bedraagt. De trillingen overstijgen de toepasselijke SBR B-norm twee tot drie keer. De conclusie van de onderzoeksrapportage is dat de kans dat de trillingsintensiteit op de begane grond bouwkundige schade veroorzaakt tussen de 10% en 20% ligt, ofwel een verhoogde kans. Het is ook duidelijk geworden dat de trillingen in de constructie zich met name in horizontale richting verplaatsen. In verticale richting dempen de trillingen aantoonbaar uit tot een niveau dat, volgens de SBR Richtlijnen 2017-deel A, onder de grenswaarde ligt. Dit leidt tot een schadekans kleiner dan 1% voor bouwdelen op de verdieping van de woning. Er is geconstateerd dat de piekwaarde van 3,29 mm/s bij 9 Hz wordt veroorzaakt door een passerende trein. Ook is duidelijk dat dit trillingsniveau intimiderend overkomt voor de bewoners en zij als onprettig ervaren.
Er is tegelijkertijd aangegeven dat de scheurvorming primair andere oorzaken heeft dan alleen trillingen van buitenaf. Het is niet aangetoond dat de in de woning aanwezige gebreken veroorzaakt zijn door trillingen. De getoonde gebreken kwamen volgens het onderzoek van ProRail overeen met normaal voorkomende gebreken in bouwconstructies. Of deze hadden een andere oorzaak die niet verband staat met treinverkeer. ProRail geeft aan dat er geen redenen zijn om ingrijpende en kostbare trillingsreducerende maatregelen te treffen. Te denken valt aan de aanleg van een spoorbak, maar er is geen sprake van specifieke projecten ter uitvoering van tracébesluiten.

Beoordelingskader
Bij de beoordeling van de effecten van trillingen moet aansluiting gezocht worden bij de meet- en beoordelingsrichtlijnen van trillingen van de Stichting Bouwresearch (SBR), te weten SBR-A (Schade aan gebouwen) en SBR-B (hinder voor personen in gebouwen). In bijlage 5 van SBR-B wordt trillingshinder door weg- en railverkeer als volgt geclassificeerd:

Bij de betreffende woning is er sprake van een overschrijding van de streefwaarde Vmax (alle tijdvakken) en Vper (dag- en avondperiode). In verband met de aanleg van de nieuwe Sloelijn is in 2001 een Milieu Effect Rapportage (MER) uitgebracht. Uit de MER-metingen en die van TNO blijkt dat ten tijde van die metingen sprake was van een (aanzienlijke) overschrijding van de streefwaarde voor bestaande woningen als bedoeld in SBR B en van “hinder” volgens de daarin opgenomen classificatie. De trillingshinder is al een ruim aantal jaren aanwezig dagelijks, zowel overdag als ’s nachts.

Onrechtmatig hinder
Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder. Maar ook van de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere/plaatselijke omstandigheden van het geval. Het is ook van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten zijn begonnen. In het laatste geval zal hij een zekere mate van hinder te dulden hebben.
Uit een recent rapport (metingen van november 2018) blijkt dat passerend treinverkeer nog steeds tot aanzienlijke trillingen in de woning leidt. De maximale trillingssnelheden overschrijden de SBR-B streefwaarde en vallen, afgezet tegen de classificatie van SBR-B, in de categorie “hinder”, en in één geval (3,29 mm/s) in de categorie “ernstige hinder”.

Een zeker mate van hinder door treinverkeer is acceptabel, omdat de eiser de woning ging bewonen toen de spoorlijn ook al voor personen- en goederenvervoer werd gebruikt. Maar sinds 2000 is er sprake van de toename van het treinverkeer en het (toenemend) gebruik van langere en zwaardere treinen en een hogere snelheid van de treinen. Dat heeft geleid tot een onacceptabel hinderniveau. De ernst van de hinder is in de loop der jaren toegenomen. Al wordt in dit geval van de bewoners in zekere mate acceptatie van trillingen verwacht, geldt dit niet voor het huidige trillingsniveau dat is veroorzaakt door de autonome ontwikkeling van het treinverkeer.
ProRail heeft terecht benadrukt dat treinverkeer ter plaatse is toegestaan en een groot maatschappelijk belang dient. Er bestaat verder geen alternatief voor de huidige spoorroute en geen beleidsruimte voor het nemen van trillingsreducerende maatregelen.

Dat betekent echter niet dat de veroorzaakte hinder niet onrechtmatig kan zijn. Er wordt gezorgd dat het treinverkeer binnen de geluidsnormen blijft (GPP’s), maar er wordt geen rekening gehouden met de impact van trillingen. Op dit gebied zijn er geen normen. De rechtbank oordeelt dat ProRail bij takenuitvoering niet alleen rekening moet houden met wettelijke normen, maar ook met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. ProRail is op de hoogte van  de door het treinverkeer veroorzaakte trillingshinder en moet de impact van trillingen op de woning reduceren, dan wel compenseren.

Conclusie
De conclusie is dat er sprake is van onrechtmatige hinder en dat ProRail de daardoor geleden schade moet vergoeden. Volgens de bewoner gaat het om immateriële schade voor de waardevermindering van zijn woning en voor verminderd woongenot.
Uit de metingen en de bevindingen van het expertisebureau blijkt dat “dit trillingsniveau intimiderend kan overkomen voor de bewoners en als onprettig ervaren kan worden”. Daarbij is er sprake van hinder die al een groot aantal jaren voortduurt. De rechtbank stelt vast dat de gevolgen voor de personen daarom voorstelbaar en voor de hand liggend zijn. Door de toegebrachte hinder is ook het recht op ongestoord genot van de woning aangetast dat leidt tot een vermogensschade.
Wat betreft de schade aan de woning is ProRail aansprakelijk als het spoor niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden stelt.
Om te beoordelen of dit het geval is moet naar alle omstandigheden gekeken worden. Het enige feit dat de trillingen van het treinverkeer schade veroorzaken, is niet voldoende. De aanzienlijke bouwkundige schade aan een woning is echter niet een gebruikelijk of te verwachten gevolg van een normaal gebruik van het spoor.

ProRail heeft natuurlijk het recht om in beroep te gaan.